De griffierechten zijn vergoedingen die de griffie van een rechtbank aanrekent voor haar prestaties. Zo is er het opstelrecht dat verschuldigd is voor het opstellen van een aantal documenten. Het expeditierecht is de kost voor het afleveren van een uitgifte (ook genoemd expeditie of grosse) van een vonnis, nl. een officieel document nodig voor een uitvoering. Tenslotte zijn er nog het rolrecht, nl. de vergoeding voor de inschrijving van een zaak op de rol van een rechtbank.

Sinds 1 juni 2015 is het voeren van een proces voor een burgerlijke rechtbank merkelijk duurder geworden omdat de rolrechten werden verhoogd en afhankelijk gemaakt van de rechtbank en van de waarde van de vordering van de eiser. Doel van de Minister van Justitie was hiermede de rechtzoekende het procederen te ontraden door een hogere bijdrage in de administratieve kosten van het proces en in de werklast van de rechtbanken op te leggen. Tegelijk wilde hij via dit ontradend effect de gerechtelijke achterstand wegwerken. Afhankelijk van de rechtbank en het bedrag van de vordering zijn de tarieven van de rolrechten thans (behoudens een paar uitzonderingen):

Vredegerechten/politierechtbank

€ 40 of € 80

Rechtbank van Eerste Aanleg
Rechtbank van Koophandel

€ 100, € 200, € 300 of € 500

Familierechtbank

€ 100

Arbeidsrechtbank

€0, tenzij het bedrag van de vordering hoger is dan € 250.000

Fiscale Kamer

€ 0, tenzij het bedrag van de vordering hoger is dan € 250.000

Hof van Beroep

€ 210 tot € 800

Hof van Cassatie

€ 375 tot € 1.200

De waarde van de vordering wordt bepaald door verwijzing naar de zgn. pro fisco-verklaring die een eisende partij bij de inschrijving op de rol moet aanbieden aan de griffie, zonder deze verklaring wordt de zaak niet ingeschreven op de rol.