In beginsel moet iedere procespartij zijn eigen uitgaven en kosten bij het procederen dragen, maar het Gerechtelijk Wetboek voorziet dat de rechter een partij kan veroordelen tot het betalen van een aantal uitgaven en kosten, die meestal “gerechtskosten” genoemd worden.
Het zijn:

  • De prijs van “gerechtelijke akten”, t.t.z. deurwaardersakten
  • De kosten van de “uitgifte”, t.t.z. het bijzonder exemplaar van het vonnis, nodig voor de betekening en uitvoering van het vonnis
  • De kosten van “onderzoeksmaatregelen”, zoals getuigengelden, erelonen van deskundigen, kosten van overlegging van stukken, of schriftonderzoek, etc.
  • Reis- en verblijfskosten, t.t.z. de kosten van de rechters en griffiers als zij een plaatsopneming gaan doen, of de reiskosten naar personen die persoonlijk moeten verschijnen voor de rechtbank
  • “kosten van akten”, zoals aangetekende post voor een verzoekschrift
  • “andere uitgaven”, zoals de prijs van een kopie van een strafonderzoek
  • De {rechtsplegingsvergoeding}, t.t.z. een vergoeding voor de tussenkomst van een advocaat.

De rechter is verplicht in zijn eindbeslissing een veroordeling tot de kosten uit te spreken, voor zover de procespartijen hun kosten gedetailleerd hebben opgegeven. In principe wordt de verliezende partij veroordeeld tot de betaling van alle gerechtskosten.